Carrièretips & nieuws

Capteur

Meer werkenden in januari 2015

Gepubliceerd op

Meer werkenden in januari 2015

Het aantal werkenden is in januari toegenomen ten opzichte van december 2014. Dat heeft het Central Bureau voor de Statistiek (CBS) bekendgemaakt. Naast dat het aantal werkenden toenam, steeg ook het aantal werklozen.
 

Het aantal mensen dat geen betaald werk had maar wel werk zocht is in januari, ten opzichte van december 2014, met tweeduizend toegenomen. Het aantal werklozen kwam uit op 645 personen in de leeftijd van 15 tot 75 jaar en dat komt neer op 7,2 procent van de beroepsbevolking.
 
Dat het aantal werklozen toeneemt, komt doordat de afgelopen vier maanden meer mensen op zoek zijn gegaan naar werk en niet iedereen van hen direct een baan vindt. Van maart tot en met september 2014 was er nog sprake van een daling in de werkloosheid.
 
Het aantal werklozen nam de afgelopen drie maanden gemiddeld met 4 duizend per maand toe, maar in die periode groeide ook de werkzame beroepsbevolking maandelijks gemiddeld met 6 duizend personen. De werkzame beroepsbevolking groeide doordat jongeren zich weer vaker melden op de arbeidsmarkt en doordat ouderen langer beroepsmatig actief zijn.
 
In januari van dit jaar was 7,2 procent van de beroepsbevolking werkloos, dat is even hoog als in december 2013. In de Eurozonde bedroeg de werkloosheid in december 11,4 procent en in de Europese Unie 9,9 procent.
 
CBS gestart met hanteren internationale definitie voor werkloosheid
Sinds dit jaar baseert het CBS de hoofdindicator van de werkloosheid op de definitie van de International Labour Office (ILO). Voorheen hanteerde het CBS de nationale definitie van de beroepsbevolking, waarbij alleen personen tot de beroepsbevolking worden gerekend die een substantieel aantal uren per week betaald werken of willen werken. Die grens om meegerekend te worden in de beroepsbevolking ligt bij de nationale definitie op een minimum van twaalf uur per week. In de internationale definitie van de ILO wordt iedereen geteld die werkt, ook scholieren met een bijbaan, of wil werken. Bij de ILO ligt de grens op een minimum van één uur per week.
Een tweede verschil is dat bij de nationale definitie 64 jaar de bovengrens is, terwijl bij de ILO de beroepsbevolking uit 15 tot 75-jarigen (dus tot en met 74-jarigen) bestaat.
 
In 2014 werkte 12 procent van de mensen van 15 tot 75 jaar minder dan twaalf uur per week. Volgens de nationale definitie van het CBS werden deze personen dus niet tot de werkzame beroepsbevolking meegerekend, bij de internationale definitie van de ILO gebeurt worden zij dus wél meegerekend. Meer dan de helft van de banen tot twaalf uur per week worden door jongeren tot 25 jaar ingevuld, weet het CBS.